De intelligentie-handelsbalans
Onze economie na AGI, en hoe je haar meet
Dit stuk komt voort uit Verticaal Politiek, een essay in ontwikkeling over hoe we ons politieke denkwerk opnieuw moeten doen. Het maakt deel uit van het hoofdstuk over de economie, dat de overgang van kennis naar intelligentie als productiefactor doordenkt en zoekt naar een eerlijker verdeling van wat die voortbrengt, via sociaal kapitalisme. Dit essay verschijnt in de tweede helft van 2026.
Stel u Nederland voor dat in 2038 welvarender lijkt dan ooit. De productie is hoger dan in enig jaar daarvoor, de groeicijfers ogen uitstekend, en toch klopt er iets niet. De werkloosheid is laag, maar het werk is veranderd op een manier die geen statistiek vangt. Een groeiend deel van wat het land verdient, vloeit elke maand weg naar een handvol buitenlandse bedrijven. En niemand kan precies zeggen hoe groot dat deel is, want we meten het niet.
Dat laatste is het eigenlijke probleem. We staan aan de vooravond van een economie waarin intelligentie een productiefactor wordt, naast grond, kapitaal, arbeid en kennis, en we kijken ernaar met de meetinstrumenten van de vorige eeuw. Bruto binnenlands product, arbeidsproductiviteit, werkloosheidscijfers: het zijn de grootheden van de industriële economie en de kenniseconomie. Over een intelligentie economie waarin machines het denkwerk doen, vertellen ze ons onvoldoende. Een land dat onvolledig meet, stuurt blind, en juist bij de belangrijkste omwenteling van deze eeuw kunnen we ons dat niet veroorloven.
Wat intelligentie hier betekent
Een woord eerst over wat ik met intelligentie bedoel, want het is het scharnier van dit hele stuk. Niet de chatbot waarmee u een mailtje laat opstellen, hoe handig ook. Ik bedoel iets fundamentelers: het vermogen van een machine om werk te verrichten dat tot voor kort een denkend mens vereiste. Denk aan een belastingaangifte die wordt doorgrond, een juridisch contract dat wordt opgesteld, een diagnose die wordt gesteld, een ontwerp dat wordt gemaakt. Dus niet een gereedschap dat de mens daarbij helpt, zoals een rekenmachine de boekhouder helpt, maar iets wat de taak zélf uitvoert. Op het moment dat een machine dat kan, is intelligentie geen hulpmiddel meer maar een productiefactor: een bron van waarde naast kennis, arbeid, kapitaal en grond, die je kunt inzetten zoals je arbeiders inhuurt of machines koopt.
En het punt waarop een machine vrijwel elk soort denkwerk aankan dat een mens kan, heeft een naam: kunstmatige algemene intelligentie, AGI. Of en wanneer we dat punt precies bereiken, daarover verschillen de knapste koppen van mening. Maar de ontwikkelingen wijzen naar dat moment, en het komt dichtbij genoeg om de vraag van dit stuk dringend te maken: hoe ziet een economie eruit waarin niet alleen handen, maar ook hoofden te koop zijn? En hoe weet je of het je land voor- of achteruit helpt?
Juist op dat punt gaat de handelsbalans tellen. Zolang intelligentie een hulpmiddel is, koop je software die je mensen sneller laat werken. Zodra ze het werk zelf doet, koop je in feite arbeid die je niet meer zelf verricht, en betaal je daarvoor blijvend aan wie de intelligentie levert. Vanaf AGI is geïmporteerde intelligentie geen aankoop meer maar een afhankelijkheid, en pas dan wordt de vraag wie haar levert een vraag over de welvaart van een heel land.
Wat we zouden moeten meten
Laat ik daarom voorstellen wat we wél zouden moeten meten. De getallen die ik noem zijn nadrukkelijk denkexperimenten, met illustratieve aannames om de redenering scherp te krijgen, geen voorspellingen. Het gaat me om de instrumenten, niet om de precieze cijfers.
Begin bij de vraag: hoeveel intelligentie zit er eigenlijk in onze economie? Noem het de intelligentie-intensiteit (maat 1), het deel van de toegevoegde waarde dat wordt voortgebracht door machine-intelligentie in plaats van door menselijke handen of hoofden. Stel dat dit in 2038 naar de helft wijst. De eerste reflex is dan om te juichen over zoveel productiviteit. Maar dat getal zegt op zichzelf niets over de vraag of het land er beter van wordt. Een hoge intelligentie-intensiteit kan goed of slecht uitpakken, afhankelijk van wat erop volgt. Het is een thermometer, geen diagnose.
Kijk maar wat er met de productiviteit gebeurt. In de oude economie was productiviteit een maat per werknemer: hoeveel waarde brengt één paar handen voort. Zodra intelligentie het werk overneemt, breekt die maat. Wat je werkelijk wilt weten, is of de intelligentie de mens vervángt of vermenigvuldigt (maat 2). Een arts die met intelligentie veel meer patiënten goed kan helpen, is vermenigvuldigd. Een callcenter dat zijn mensen wegautomatiseert, heeft ze geschrapt. Beide verhogen de intelligentie-intensiteit, en toch zijn het tegenovergestelde werelden: de ene maakt mensen waardevoller, de andere maakt ze overbodig. Dat onderscheid wordt een van de bepalende maatschappelijke feiten van de komende decennia, en op dit moment houdt niemand het systematisch bij.
Die keuze, vermenigvuldigen of vervangen, wordt nergens centraal genomen. Ze valt in duizenden bedrijven, elke dag, op grond van wat voor het bedrijf zelf het meest oplevert. Wanneer een onderneming mensen vervangt, vallen haar loonkosten meteen weg, terwijl de kosten van die keuze — werkloosheid, verloren koopkracht, een groter beroep op de gemeenschap — bij een ander terechtkomen, namelijk bij ons allen. Het bedrijf draagt de baten, de samenleving draagt een deel van de last. Dat is geen verwijt aan ondernemers, die volgen simpelweg hun eigen rekensom. Het is een opdracht aan het land: zorg dat de rekensom van het bedrijf en die van de samenleving niet te ver uit elkaar lopen, want een economie die dat verschil niet bewaakt, ontdekt te laat dat haar bedrijven floreerden terwijl haar mensen overbodig werden.
De geschiedenis maant tot bescheidenheid. Bij elke technologische sprong is voorspeld dat de machines het werk zouden opeten, en elke keer ontstond er nieuw werk dat niemand had zien aankomen. De wevers werden niet werkloos, ze werden iets anders. Wie nu roept dat alle banen verdwijnen, herhaalt een vergissing van twee eeuwen oud. Mijn zorg is een andere: niet dat al het werk verdwijnt, maar dat het deze keer het denkwerk raakt en sneller gaat dan de mens zich kan aanpassen. De nieuwe banen komen misschien, maar niet vanzelf, niet op tijd, en niet noodzakelijk voor dezelfde mensen op dezelfde plek. De vraag is dus niet of er werk overblijft, maar of de overgang te dragen valt voor wie er middenin staat.
Van wie is de opbrengst?
Dan de vraag waar de meeste optimistische verhalen over kunstmatige intelligentie omheen lopen: van wie is de opbrengst? Hier hebben we het minste houvast en staat het meeste op het spel.
In de economie zoals we die kennen, verdelen we welvaart voor een groot deel via arbeid. U werkt, u ontvangt loon, en via dat loon en de belasting erop stroomt de welvaart rond. Loon is niet alleen inkomen, het is een van de voornaamste mechanismen waarmee een samenleving haar opbrengst verspreidt — naast de belasting op vermogen, de toeslagen en de collectieve voorzieningen. Maar onder dat bouwwerk ligt de aanname: dat de meeste mensen het grootste deel van hun leven betaald werk hebben. Op die aanname rust niet alleen ons inkomen, maar onze hele verzorgingsstaat — premies, uitkeringen, pensioen, alles is er uiteindelijk aan opgehangen.
Wat gebeurt er met dat bouwwerk als intelligentie een steeds groter deel van het werk doet? Dan begint het te haperen. Niet ineens en niet voor iedereen, maar genoeg om de verdeling te ontwrichten. Als de machine de waarde voortbrengt, krimpt het loon mee met het werk dat verdwijnt, en kun je via dat loon steeds minder verdelen. Zo dient zich een vraag aan die geen kwestie van politieke voorkeur is maar van rekenkunde: als arbeid niet langer het voornaamste verdeelmechanisme is, wat dan wel? Wie ontvangt de opbrengst van de intelligentie?
Daar heb ik geen eenvoudig antwoord op. Maar je kunt de vraag wél meten, en dat is het punt. Noem het de intelligentie-rente (maat 3): het deel van de door intelligentie voortgebrachte waarde dat toevloeit naar wie de modellen en de rekenkracht bezit, tegenover het deel dat breed neerslaat in de samenleving. Hier moet ik een schijnbare tegenspraak rechtzetten, want wordt intelligentie niet juist overvloedig en goedkoop? Dat klopt voor de output — een antwoord, een ontwerp, een analyse kost straks bijna niets. Maar overvloed aan output gaat heel goed samen met concentratie van bezit. Elektriciteit is overvloedig en spotgoedkoop, en toch zijn de centrales en de netten in weinig handen. Zo ook hier: de intelligentie stroomt rijkelijk, maar de kraan is van enkelen. En wie de kraan bezit, ontvangt de rente.
Stel dat in 2038 het leeuwendeel van die rente bij een handvol eigenaren terechtkomt. Dan bloeit de economie op papier en valt ze in werkelijkheid uiteen, omdat de welvaart wordt voortgebracht zonder nog te worden gedeeld. Stel dat de rente breed verspreid raakt, via publiek bezit, via een ander belastingstelsel, via vormen die we nog moeten uitvinden, dan kan diezelfde overvloed een land juist rijker en vrijer maken. De techniek is in beide gevallen dezelfde. De verdeling maakt het verschil, en sturen kan pas wie haar in beeld heeft.
Bij die verdelingsvraag hoort een ongemakkelijk uitvloeisel, en het is tegelijk een blinde vlek in veel optimistische verhalen: als de lonen onder druk komen, wie koopt dan nog wat al die intelligentie voortbrengt? Een economie heeft koopkracht aan de basis nodig, anders produceert ze zich in een crisis van overvloed die niemand zich nog kan veroorloven. En daaronder ligt de vraag of het levensonderhoud van mensen gekoppeld blijft aan betaald werk (maat 4). Vandaag is die koppeling bijna volledig — geen baan, geen inkomen. Naarmate intelligentie arbeid overneemt, komt die koppeling onder druk, en een land dat daar niet op voorbereid is, riskeert dat zijn hele stelsel van bestaanszekerheid vastloopt op een aanname die niet meer geldt. Dat is geen pleidooi voor een bepaald antwoord. Het is de constatering dat het antwoord nodig zal zijn, en dat we het maar beter kunnen ontwerpen voordat het zich aan ons opdringt.
De handelsbalans: bouwer of huurder
En dan de optelsom van dit alles, de reden dat ik dit stuk schrijf. Een land kan intelligentie-intensief zijn, zijn mensen vermenigvuldigen in plaats van vervangen, en de opbrengst eerlijk verdelen, en tóch verarmen. Namelijk wanneer het al die intelligentie van elders betrekt. Dan betaalt het elke dag huur aan wie de intelligentie bezit, zoals een land dat al zijn energie invoert, is overgeleverd aan wie de olie en het gas in handen heeft.
Daarom de maat die de andere bijeenbindt: de intelligentie-handelsbalans (maat 5). De waarde van de intelligentie die een land de wereld in stuurt, als modellen, als toepassingen, als diensten, als de infrastructuur eronder, minus wat het invoert. Zij meet of een land bouwer is of huurder van zijn belangrijkste grondstof. Vandaag staat Nederland diep aan de invoerkant. We gebruiken intelligentie die elders is gebouwd, draaiend op rekenkracht die elders staat. Europa beschikt over een fractie van de wereldwijde rekenkracht (ongeveer zeven procent); het overgrote deel staat aan de overzijde van de oceaan en in Azië. We zijn, kort gezegd, een land dat zijn belangrijkste toekomstige grondstof importeert.
Een net positieve handelsbalans is makkelijker opgeschreven dan bereikt. Intelligentie is een digitaal product met sterke netwerkeffecten, en zulke markten kantelen naar een of twee winnaars wereldwijd. Een klein land wordt geen netto-exporteur van intelligentie over de hele linie; daarvoor zijn de schaalvoordelen van de grote spelers te groot. Wat wél kan, is netto-exporteur worden in niches waar we werkelijk iets te bieden hebben, en tegelijk de invoer zo inrichten dat we er niet weerloos van afhankelijk worden. De ambitie is dus niet dominantie, maar het kantelen van de balans waar het kan, en het beheersen van de afhankelijkheid waar het moet.
Vijf maten, en meer
Vijf maten dus, voor een economie die we nog niet kennen. Hoeveel intelligentie erin zit. Of ze mensen vermenigvuldigt of vervangt. Wie de opbrengst krijgt. Of de overgang draagbaar blijft voor wie werkt. En of we netto leveren of afnemen — de intelligentie-handelsbalans zelf, die meet of een land bouwer is of huurder van zijn belangrijkste grondstof.
Vijf is geen heilig getal. Er zijn er meer denkbaar, zoals De strategische autonomie: kan een land zijn vitale functies — energie, betalingsverkeer, zorg, defensie, bestuur — draaiende houden op intelligentie die het zelf beheerst, als de grenzen morgen sluiten? Het is een politieke grootheid, want een land dat zijn intelligentie niet zelf in handen heeft, merkt op een dag dat het ook zijn keuzes niet meer in handen heeft. En een ander, namelijk de toegang: heeft niet alleen de staat of het grote bedrijf, maar ook de gewone burger betaalbare toegang tot krachtige intelligentie (token-toegang)? Of ontstaat er een kloof tussen wie zich die toegang kan veroorloven en wie niet? Een land kan een prachtige handelsbalans hebben en die toegang aan zijn eigen bevolking toch laten verschralen.
Geen van deze maten wordt vandaag systematisch gemeten, en juist daarom hoort het bouwen van deze instrumenten tot het eerste wat een land zou moeten doen, nog voordat het besluit waar het naartoe wil. Sturen kan niet zonder zien, en de cijfers waarop we nu varen, laten precies datgene onzichtbaar wat er werkelijk toe gaat doen.
De omwenteling loopt al terwijl onze dashboards het onvolledige tonen. We meten de groei en zien de welvaart, en we missen de vraag eronder: van wie wordt die welvaart, en uit wiens hand komt de intelligentie die haar voortbrengt. Geen technische voetnoten, maar de politieke kernvragen voor de jaren die komen, vermomd als meetkwesties.
Naschrift
Ik heb dit alles in de taal van de economie gegoten — rente, balans, intensiteit, het geruststellende vocabulaire van de meetbare wereld. Maar de vraag is er ook een van macht, niet van boekhouding. Wie de intelligentie bezit, bezit niet alleen de winst, maar de infrastructuur van het denken zelf: de informatie, de afwegingen, een groeiend deel van hoe besluiten tot stand komen. Dat laat zich niet vangen in een kengetal, en ik moet oppassen dat mijn nette grootheden die ruwere waarheid niet wegpoetsen.
Wat die twijfel me leert, is niet dat we het meten moeten laten. Het is dat cijfers alleen niet volstaan. Je hebt perspectieven nodig om ze te duiden — een opvatting over wat een goede samenleving is, over wat we met die overvloed eigenlijk wíllen — en een architectuur om ze in te sturen: instituties, regels, eigendomsvormen die bepalen naar wie de rente vloeit en wie de richting kiest. De getallen leggen de vraag bloot. Ze beantwoorden haar niet. Dat antwoord is een politieke constructie, en ik geloof dat ze een naam verdient die noch puur markt noch puur staat is — iets wat ik elders sociaal kapitalisme noem, een poging om de overvloed van de markt te verbinden met een eerlijke verdeling van wat ze voortbrengt. Maar dat is een ander verhaal (het Verticaal Politiek essay), en het is nog lang niet af. Voor nu is het genoeg om de juiste vragen te durven stellen, wetend dat het meten ervan het begin van de vernieuwing is, en niet het einde.
Verantwoording
De begrippen intelligentie-intensiteit, intelligentie-rente en intelligentie-handelsbalans, en het verbindende kader erachter, zijn van mijn hand; de onderliggende vraagstukken worden door ondergenoemd werk vanuit verschillende invalshoeken belicht.
Deze heb ik bij het schrijven deels geraadpleegd:
Microsoft Research, Evolving the Productivity Equation: Should Digital Labor Be Considered a New Factor of Production? (2025). Over AI als zelfstandige productiefactor naast arbeid en kapitaal, en over hoe de bijdrage ervan nu wegvalt in de statistische restpost. arxiv.org/abs/2505.09408
U.S. Bureau of Labor Statistics, Productivity and Artificial Intelligence (2025). Over de manier waarop bestaande productiviteitsmaten de inzet van intelligentie maar gedeeltelijk vangen. bls.gov
Anton Korinek & Joseph Stiglitz, over kapitaal-bevoordelende technologische verandering en de verdeling van de opbrengst van automatisering, en Daron Acemoglu & Pascual Restrepo, over het dalende arbeidsaandeel — twee invloedrijke lijnen in het onderzoek naar wie de opbrengst van automatisering ontvangt. nber.org/papers/w24174
Pascual Restrepo, over de twee paden van automatisering (2026): het onderscheid tussen een geleidelijke, door rekenkracht begrensde overgang en een schoksgewijze, door doorbraken gedreven overgang, met het voorstel om rekenkracht als publieke hulpbron te behandelen. fortune.com
Een macro-economische modelstudie naar een post-automatiseringseconomie (2026), die de weglek van nationale opbrengst als grensoverschrijdende licentievergoeding modelleert, verwant aan wat ik hier de intelligentie-handelsbalans noem. arxiv.org/html/2606.20649
Brookings Institution, Is AI Sovereignty Possible? Balancing Autonomy and Interdependence (2026), en het Sovereign AI Index van CNAS (2026). Over strategische autonomie, en over het verschil tussen het bezitten en het huren van intelligentie. brookings.edu · cnas.org
Tot de volgende Window, Ruben!




Ik haak af bij de details van je economische/econometrische benadering omdat het mijn vakgebied niet is. Ik heb wel het idee dat je met jouw invalshoek iets blootlegt over de huidige technologische ontwikkeling wat de moeite waard is (niet de technologie alleen, niet machtsverhoudingen alleen, maar ook de verhouding kapitaal-arbeid die zich anders kán gaan ontwikkelen en die misschien politieke sturing vraagt.
Ik blijf je volgen en probeer aan te blijven haken.
Hi Ruben, echt mooi stuk. Veel van geleerd. Ik moet er ook nog even op kauwen :) Het zette me aan het denken over hoe beperkt onze huidige economische metrics eigenlijk al zolang zijn. Onze obsessie met BBP als maatstaf voor succes mist nu al van alles: menselijk welzijn, ecologische grenzen, en veel onzichtbaar werk wat ons mens maakt. Bijvoorbeeld: mijn vrouw en ik voeden onze kinderen op, waardevol werk, maar economisch telt dat niet mee. Net zoals schade aan natuur buiten de rekensom blijft.
Dus als we die lijn doortrekken naar een intelligence economy, vroeg ik me af: wat missen we dan straks ook nog?
Jij introduceert een sterke lens mety de intelligentie-handelsbalans.. Maar misschien hebben we daarnaast ook iets nodig als een soort… wijsheidsbalans? (Nog geen goed woord.)
Dus niet alleen: hoeveel intelligentie zit er in de economie? Maar ook: hoeveel menselijk oordeel blijft aanwezig in cruciale beslissingen?
En niet alleen: wie ontvangt de opbrengst? Maar ook: wat gebeurt er met agency, verbinding, vakmanschap, betekenis?
Hannah Arendt zei al dat een deel van menselijk geluk voortkomt uit het ervaren van competentie, eigenaarschap, autonomie, verbondenheid. Uit zelf worstelen met iets. Uit samen besluiten nemen. Uit ergens beter in worden. Het mens-zijn is dus iets wat je beoefent, niet wat je outsourced.
Waar ik me zoergen over maak is dat wat wij volledig aan het vergeten zijn dat leren alleen waarde heeft wanneer het IN de mens verankerd zit. Oordeelsvermogen, leiderschap, samenwerken zijn geen als abstracte eigenschappen, maar het is een ‘Craft’ ;) dat ontstaat door oefening, frictie, fouten maken, persoonlijke ervaringen.
Dus als AI niet alleen werk overneemt, maar ook steeds meer oordeel en besluitvorming, dan kan het zomaar zijn dat we rijker worden in output maar armer in de ervaring…
Dus: naast nieuwe meetinstrumenten moeten we ook dashboards ontwikkelen waarin we wijsheid meten en niet langzaam meer uithollen. De AI-economie zou uiteindelijk bedoeld moeten zijn om mensen beter te kunnen laten oordelen, verbinden, handelen etc.